Mieren

Mieren

Mieren zijn een groep van kolonie-vormende, sociale insecten die behoren tot de orde van vliesvleugeligen (Hymenoptera). Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen; waar ze voorkomen zijn mieren de dominante levensvorm op de bodem. Geschat wordt dat de totale biomassa van alle mieren groter is dan die van alle andere dieren op aarde. Omdat mieren overal ter wereld voorkomen, zijn ze één van de succesvolste diergroepen.

 

Mieren in soorten

We kennen in België verschillende soorten mieren. Door hun verschillen in aanleg en de voorkeur voor verschillende leefomgevingen kent bijna iedere omgeving wel zijn eigen miersoort. Het is bekend dat mieren lopend grote afstanden kunnen afleggen. Nieuwe nestelplaatsen worden wel al vliegend bereikt, zodat zelfs in bloembakken 10 meter boven de grond nesten kunnen ontstaan. Vele mierensoorten bouwen het nest in de bodem of in holle bomen, andere spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken. De bekendste miersoort is waarschijnlijk wel de tuinmier. Andere veelvoorkomende mieren zijn de gewone steekmier, kale bosmier, zwarte zaadmier en faraomier. Mierenkolonies bestaan uit werksters, mannetjes en koninginnen. De grootste groep zijn de werksters die opgesplitst worden voor de verschillende taken. Je hebt de soldaten die beschikken over een grote kop met sterke kaken. De mannetjes zijn er maar wanneer ze er nodig zijn. Samen met de mannetjes verlaten de jonge koninginnen het nest vliegend. Dit gebeurt op warme dagen. In de lucht paren de mannetjes met de vrouwtjes en sterven kort daarna.De bovenkaken van de mier zijn zeer sterk, terwijl de onderkaak heel zwak is. Het vloeibare voedsel likt ze met de onderlip op. Wanneer een mierenkolonie verstoord wordt, zullen de mieren heel duidelijk hun mierenzuur omhoog spuiten

De kale bosmier

De kale bosmier (Formica polyctena) is een bosbewonende soort uit de familie mieren (Formicidae). De soort lijkt sterk op de behaarde rode bosmier (Formica rufa), maar er zijn toch een aantal verschillen. Dankzij zijn rode kleur een opvallende verschijning. De helderrode tot roodbruine kop en borst van de mier zijn ook de reden waarom de kale bosmier ook wel ‘rode mier’ wordt genoemd. Het achterlijf van de kale rode bosmier is zwartbruin met rood. Vrouwtjesmieren, werksters genoemd, worden zo’n 4 tot 9 mm groot, de wijfjes 9 tot 11 mm en de mannetjes 9 tot 10 mm. De kale rode bosmier kan meer schaduw dan de behaarde rode bosmier verdragen. Een ander verschil tussen de behaarde- en de kale rode bosmier is het verschil in nestafsplitsing. De kale rode bosmier doet dit door middel van een aantal nesten met mierenpaadjes met elkaar te verbinden. De behaarde rode bosmier verbindt de nesten niet met mierenpaadjes.

Een kale bosmierenkolonie bestaat uit meerdere nesten met meerdere koninginnen. Naarmate de temperatuur stijgt zullen de bosmieren binnen en buiten hun nesten actiever worden. Kale bosmieren leven vooral in het bos. Tussen de naald- en loofbomen maken ze koepelnesten, of mierennesten, van takjes en naalden. De kale bosmier eet andere, vaak schadelijke insecten.

De faraomier

De faraomier (Monomorium pharaonis) is een kleine miersoort die oorspronkelijk uit de tropen komt, maar door handel over een groot deel van de wereld verspreid is. Faraomieren zijn sociale insecten die in staten leven. Faraomieren zijn polygyn wat inhoudt dat er meerdere koninginnen (2 tot 400) per kolonie aanwezig zijn. Daarnaast zijn er ook zo'n 1000 tot 2500 werksters per kolonie. De werksters zijn 2,2 tot 2,6 mm lang, ze zijn bruingeel en hebben een donker achterlijf. De koninginnen worden zo’n 3,5 tot 4,8 mm lang. De vrouwtjesmieren worden bruingeel van kleur, terwijl de mannetjes donkerbruin tot zwartbruin worden, met lichtgele poten en antennes. Ook hebben mannetjes vleugels. Faraomieren houden van warmte en bouwen hun nesten dan ook graag bij warmtebronnen. Daar leven de werksters zo’n 2 maanden voor ze dood gaan. Mannelijke faraomieren leven slechts 2 tot 3 weken. Faraomieren eten alles maar geven de voorkeur aan vleeswaren. In tegenstelling tot de meeste mierensoorten hebben faraomieren geen herkenning van nestgenoten, dus kunnen kolonies dicht bij elkaar leven zonder elkaar aan te vallen 

De zwarte zaadmier (Tetramorium caespitum)

De zwarte zaadmier (Tetramorium caespitum, voorheen grasmier) komt voor in gematigd klimaat en leeft vooral op de grond. Daar bezet hij een territorium met een middellijn van zo'n dertig meter. De werksters verwijderen zich eigenlijk niet verder dan dit territorium. De zwarte zaadmier is een soort die zich makkelijk aanpast aan veranderingen in de omgeving. Je ziet hem meestal op zonnige, droge plekken, soms in vochtige graslanden maar ook in bewoonde gebieden, met name tussen bestrating. De nesten bevinden zich meestal onder stenen. dit wordt dan ook met hand en tand verdedigd. De zwarte zaadmier is behoorlijk agressief voor andere mieren met name voor de eigen soort. De volken zijn relatief groot tot zo'n 10.000 werksters. Zij bevatten in de regel meerdere koninginnen, die elk iedere dag zo'n 5 tot 40 eitjes produceren. Er worden uitgebreide gangenstelsels gegraven; dit is goed voor de omgeving vanwege de beluchting die hierdoor plaatsvindt. De koningin en de mannetjes zijn aanzienlijk groter dan de werksters, resp. 8 mm en 3,3 mm lengte. De kleur is donkerbruin met wat lichtere poten.

De zwarte zaadmier is ongeveer even groot als de faraomier. Opvallend aan de zwarte zaadmier is de vorm van het lichaam: het lijkt wel alsof er van de kop tot de kont allemaal knoopjes in het mierenlijfje zijn aangebracht. De zwarte zaadmier wordt dan ook onder de knoopmieren geschaard. De antenne kent twaalf segmenten met een eindknots van drie segmenten. De werksters hebben als karakteristiek element twee duidelijk zichtbare korte, tandvormige doorns achteraan het borststuk. Zwarte zaadmieren komen bij uitzondering voor in gebouwen. Wel nestelen ze af en toe onder gebouwen. De nesten kunnen uitgroeien tot massale mierenkolonies met wel 80.000 werksters. De zwarte zaadmier eet Alle voedsel dat voorhanden is in het territorium wordt verzameld en eventueel opgeslagen. Zwarte zaadmieren zijn omnivoren;  alles wat eetbaar is binnen het territorium van een kolonie wordt verorberd: nectar, sap, pollen, bloemen, dode organismen, zaden of vruchten van planten. De zwarte zaadmier is een zaadverzamelaar en de soort kent voorraadvorming; zaden worden opgeslagen en bij gebruik fijngekauwd met de grote kaken die deze soort kenmerkt. Zij eten het liefst suikerhoudend voedsel. De zwarte zaadmier kan steken en bijten.
 
De gewone steekmier (Myrmica rubra)

De gewone of rode steekmier (Myrmica rubra) is de een van de Europese mierensoorten. Deze mier is in in zowat alle habitat types te vinden met uitzondering van zeer warme en droge gebieden en locaties met beperkte en lage vegetatie. Deze soort is vrijwel overal in Vlaanderen en Nederland te vinden. Zij kan hoge nestdichtheden bereiken in zowel droge als in vochtige milieus en is in allerlei stedelijke en ook andere habitats vaak de dominantste mier. Deze mier zou vooral vochtige graslanden en bosranden prefereren. Net als de zwarte zaadmier is de gewone steekmier een knoopmier. Omdat het lichaampje iets groter is dan dat van zwarte zaadmieren vallen de knopen echter minder op. Gewone steekmieren zijn roodbruin en hebben een donkere kop en achterlijf. Deze mier kan tot 20.000 werksters en meerdere functionele koninginnen tot 600 in een nest herbergen. De werksters zijn circa 3,5 tot 5 mm lang. In open habitats met een hoge vegetatie en kruidlaag kan de soort met meer dan 100 nesten per 100 vierkante meter als enige mierensoort aanwezig zijn. Deze mier koloniseert zeer snel nieuwe potentiële niches en in parken en tuinen kan men zeer volkrijke kolonies aantreffen. De soort is zeer agressief en zal bij verstoring van het nest snel in de aanval gaan, waarbij zij pijnlijke steken kan toebrengen.

De tuinmier

De gewone tuinmier is 3 mm - 4 mm lang en komt overal voor. De mieren zijn in de winter in rust tenzij er een warmtebron in de buurt is. Tuinmieren voeden zich met insecten en zoetigheid. De overlast bestaat o.a. uit het ondergraven van tegels en andere bestratingen. 

Mieren kunnen zowel binnenshuis, als op het terras en in het gazon voor heel wat overlast zorgen. De plaatsten in het gazon waar mieren voorkomen worden meestal zodanig ondergraven dat het gazon op termijn kale plekken gaat vertonen. Spelende kinderen hebben dikwijls ook last van mierenbeten. 

De naam ‘tuinmier’ is een verzamelnaam voor wegmieren, boommieren, glanzende houtmieren en schaduwmieren. De mieren hebben vleugels maar vliegen niet veel. In de zomer bevruchten de mannetjes de koninginnen. Daarna sterven de mannetjes en bouwen de koninginnen nieuwe nesten. Tuinmieren eten insecten en zoetigheid. Ze leven vooral in buitenomgevingen. De glanzende houtmier heeft zijn nest vaak in rottend hout, onder de grond. Oppervlakkige behandelingen halen meestal niet het gewenste resultaat omwille van de complexe leefgemeenschap waar elk mier zijn specifieke taak heeft. Zo kan een mierennest vergeleken worden met een bijenvolk. Er zijn werksters die het voedsel voor heel de kolonie verzamelen, dat zijn de zichtbare mieren. Verder zijn er de werksters die het nest onderhouden en instaan voor de voeding van de larven en de koningin. Deze niet zichtbare mieren worden door een oppervlakkige behandeling niet bestreden.

     

            Last van mieren ?

            Bel ons:   0491 22 61 66

 

U bent bij ons hartelijk welkom :druk op  contact om via e-mail ons te contacteren.

 

 

 

 


Contact

MJ BELGIUM PEST CONTROL

www.muis-kakkerlak.be


Gsm 0491 22 61 66